<!– @page { margin: 2cm } P { margin-bottom: 0.21cm } –>
II
Hij heeft daar een uur met haar zitten praten, daar op de vloer,ondertussen tekenend op de achterkant van allerlei blaadjes. Er lagenzo’n drie niet slechte schetsjes van vrouwengezichten tussen al hetandere papier toen ze op moest hangen. Ze namen afscheid van elkaarmet iets als: hou je goed. De vrouw die had opgenomen moest weg, zemoest iets anders doen. Ze zei niet wat. Hij legde de telefoon weerterug, keek even de kamer rond en dacht: ik moet iets drinken.
Later die dag schreef hij dit, onder andere, op over hettelefoongesprek:
[...]hebben gepraat over vanalles en nog meer. Ze klonk goed. Ik weet niet waar haar stem me aandeed denken, maar het was een goede stem, fijn. Ze was alleen thuis,vertelde ze. Ze praatte met me over <naam>, voor even, over hoeik haar ineens wilde bellen, hoe zoiets uit het niets kan komen. Zevroeg: wat betekent ze voor je? Ze vroeg: moet je vaker aan haardenken? Maar daar bleef het ook bij, bij die vragen. Daarna hadden wehet over hoe zij de wolken door een raam daar zag langsdrijven. Ikhoorde muziek en ik wilde weten wat het was. Het was ver weg, heelzacht op de achtergrond. Iets klassieks zei ze dat het was. Wat washet ook alweer? Het was[...]
Als die bladzijden uit zijndagboek geloofd moeten worden bestond die hele dag voor het grootstegedeelte uit een gesprek van een uur.
Hij lag die avond in bed tedenken. Het was een goed gesprek geweest. Zij had ook geklonken alsofze het fijn vond. Het was ook fijn zo te luisteren en te praten.Morgen moest er wel opgeruimd worden, dacht hij, al dat papier ligter nu nog x96 en hij zag zichzelf weer zitten, schetsend. Hij hadgeen idee wie de vrouwen waren. Ze waren mooi, dat wel; mooi bedoeld.
Ze bleven door zijn hoofddwalen, de stem van die vrouw die opnam en die tekeningen, naast demuziek, de kraakgeluidjes van haar verzitten en ook <naam>. Hetleek warm in zijn bed, hij had het gevoel alsof het warm was.